mls's blog

donderdag 24 maart 2005

Lopen door de stad

Ik proef de klanken van de straten in mijn stad
het licht het hikt verbaast de winkelruiten
ik loop weer dat gaat zo maar zo gaat telkens wat
ik loop weer monomaan weer monodwaas naar buiten.

Ik loop volop in mijn nieuwe jas te peinzen
loop zacht te peinzen als een antwoord op de stad
loop dwaas zo dwaas en buiten denken veinzen
te peinzen van de stad die ik vaak zo vaak betrad

Ik loop hier zo bescheiden mijn beide benen uit
zonder te weten hoe of waar ik loop alleen maar stil
ik weet alleen de stad waar wonder boven wonder uit
ik weet alleen maar klinker wat ik weten wil


naar Hans Andreus, zoek de verschillen..


Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil


Wat een gedicht he?

maandag 21 maart 2005

Iets met lente

Dat het lente ging worden had ik al wel voorvoeld. Het zou een kwestie van tijd zijn voordat het voorjaarschoon zou uitbreken, voordat het winterkleed en de winterjassen schuchter afgelegd zouden worden en er her en der een glimlach door de menigte van stugge gezichten heen zou kruipen. Ze is, en ik heb het opgezocht in mijn logboek, door mij voorvoeld op 15 februari, 14 minuten voor 9 toen ik op mijn fiets stapte om naar de Kromme Nieuwe Gracht 66 te piepkrakken voor weer een zoveelste college dit blok. De kans dat mijn lentegevoel door iets anders kwam dan door een zich aan mij aandienende lente is te verwaarlozen.

(Factoren die de validiteit van mijn voorgevoel hadden kunnen sterken waren:
- dat het waterkoud was
- een wolkengrauwe hemel hing
- en windkracht zes het waaide rond de wadden
- dat uitlaatgassen geurden in de wind
- en een stuk weg was opgebroken
- en forenzen al vertrokken uit de steden
- en het leek mij nog geen reden (voor lente)

Factoren die te verwaarlozen zijn en die de validiteit van mijn voorgevoel in twijfel hadden kunnen trekken:
- (filmisch) werd een meisje van haar fiets geblazen
- haast, ze had zo een nepbonte capuchon om
- en ze keek steels vanuit die ruimte een
- beetje beschaamd in mijn ogen
- en dit zo'n soort moment was
- waarin je verliefd had
- kunnen worden

Maar ik wist het, ik had de lente al twee minuten eerder geboren voelen worden in mijn borst en zo kan ik tot de conclusie komen dat het voorvoelen oprecht was. )

Elk jaar heb ik dat weer. Onverwacht raakt er iets aan. Het zal de wind zijn, een soort licht dat zich tussen de wolken door wringt, de geur van gras, maar het voelt als een fijnzijden sjaal. Verbaasd maar verrast breidt zich zonder enige bijbedoeling een krullend spektakel van tintelingen en enorme blijdschap onder mijn ribben uit. Dat ik nog geen last heb van botverkalking beschouw ik als een zegen: mijn ribben zouden uit elkaar gesprongen zijn en zodoende mijn huid geperforeerd hebben. Nu echter bewogen ze zoals de vingers van sommige stereotype mannen wanneer zij eerbiedig de gekoosde kast van een viola d'amore beschrijven. Het maakte dat mijn borstkas steeds zo golvend opwelde dat ik het stukken lastiger had met het verraderlijke waaien op de hoeken van de straatjes en steegjes waaraan Utrecht rijk is.

Dusdanig werd ik van slag gebracht dat ik rücksichtslos van Achter de Dom de Nieuwe Gracht opsneed en terwijl ik afboog richting de Kromme Nieuwe Gracht plotsklaps in mijn baan een vrouw ontwaarde die zou oud moet zijn geweest als mijn moeder maar leek op C. Palmen. De gedachte schoot door mijn hoofd dat ik nooit een boek van haar had uitgelezen en ik zocht al naar een diplomatiek excuus. Echter, dit denken werd ruw onderbroken door een kraakhelder inzicht: ik realiseerde me dat er actie moest worden genomen. Ik meende toen af te buigen naar links. Maar links achter de vrouw verscheen plotseling een meisje dat zich, zonder dollen, het best laat omschrijven als een vrij onopvallend meisje. Je had naar haar kunnen kijken zonder dat je haar zou zien. Deze ervaring had ik nou ook een fractie voor dit penibele moment. Naar rechts sturen was gezien de hoek waarin ik hing onmogelijk en dus, onder luid hohohohoho geroep, remde ik een kerstman waardig op tijd af om groter onheil af te wenden en de vrouw en het meisje - die allebei erg geschrokken leken - een cadeautje toe te geven: sorriesorriesorriesorriesorriesorriesorrieohsorriesorriesorriesorriesorrie…

Ik geloof niet dat ze me het zo makkelijk wilden vergeven. Dat ze de lente in mijn ogen zagen. Ik geloof niet dat ze de bloesems in mijn haren ontwaarden, dat ze eendenkuikens in de grachten, dat ze de liefde als bellen, en de korte rokjes en de losse hemden, het glimlachen en de parken. Lente lente. Nee, nee toen nog niet, maar ík had haar al voorvoeld. Misschien moesten zij nog even op haar wachten. Maar zouden ze zelfs aan dit verlate ontluiken hebben getwijfeld, dan had ik ze gerust kunnen stellen. Het is oké, de winter was nat en koud zelfs, maar ze komt hoor..

woensdag 16 maart 2005

Een reizen

Je reist en
ziet een heel leven
van vegen voorbij
je denkt,
wat zijn die ramen
toch van glas.

Je denkt ook
wat gaan we snel en schichter
geheugen schampert
soms van compartiment
naar compartiment
comfortabeler.

Op elk balkon
houd je hart vast
niet vallen
soms is er een hand
en die houdt vast
van je.

Voorin ruikt men
de bevelen
aan de stoker
bereikt men /
weet men als eerste
het platvorm.

maandag 7 maart 2005

Lamento van zó’n Amfibrachus

Gebroken gedachten verslapten
een dichter in levende lijve
en wel in die mate dat hem toch
van al dat gebeurde beklijven

maar geen zo’n gebeuren zou blijven.
Voorts stapte toen onze onttroonde,
gebogen zijn rug en versleten
zijn ogen, zijn teder bewoonde –

een vod van een hok – in de nacht en
wie ooit had gedacht: in een leven
is meer dan een drinken en dromen
die weet dan nog niets van het beven

en ’t komen van stillende stemmen
en klokken die eindig en eindeloos tellen.

Natuurlijk, behoeft zo'n schrijfsel een antwoord. Laat ik het zo zeggen: Lamento lijkt natuurlijk heel erg veel op de volgende woorden:
La.men'ta.bel (Fr -- Lat) bn bijw erbarmelijk, beklagenswaardig
La.men'ta.tie {-(t)sie} (Fr-- Lat)(de (v); -s) weeklacht, klaaglied
La.men'te.ren (Fr-- Lat) (lamenteerde, h. gelamenteerd) weeklagen, jammeren, kermen
Amfibrachus is een versvoet van een beklemtoonde lettergreep die zowel vooraf wordt gegaan als wordt opgevolgd door een onbeklemtoonde syllabe (v-v). Het is een schrijfsel naar aanleiding van een uitdaging die een docent zijn studenten voorlegde. Ik ben er toen maar op ingegaan.

De rest is voor de liefhebber. En, het gaat niet echt over mij en, oh ja, ik ben heus gelukkig, echt.

dinsdag 1 maart 2005

Van de man die bij een vrouw kwam en van de vrouw

Een man kwam bij een vrouw en de vrouw kon niet anders dan hem vriendelijk toelachen. Dat deed zij door haar mondhoeken een klein beetje uit elkaar te trekken, lichtelijk omhoog. Haar lippen zweefden dan enkele millimeters boven elkaar waardoor haar blanke tanden net niet zichtbaar waren, maar je zou ze er kunnen vermoeden. Die suggestie wekte het in ieder geval. Haar ogen leken haar dierbaarste bezit, ze had hen op hem gericht en ongeveer ter hoogte van zijn wangen liet ze ze op zijn neuskam rusten.
De blosjes op haar wangen waren geen gevolg van rouge maar een gevolg van haar opvoeding. Deze was immers erg sober geweest en karig ook. Naast brood en margarine, groenten en fruit bij de boer gekocht, gecombineerd met wat ze zelf in hun ommetselde en schaduwrijke achtertuintje teelden, werden er geen "opschmuckspoelen gekauft". Wanneer vader dat zei zwegen zelfs de buren. Omdat ze niets tegen de wil van haar vader in durfde te brengen en evenmin haar wens kon loslaten, oefende ze zichzelf erin het bloed naar de haarvaatjes in haar koontjes te laten stromen zodat ze appeltjesgaaf werden. Nu lukte het haar al geruime tijd niet meer het van haar wangen af te krijgen.
Het is net zoiets als het vliegen van de man die bij de vrouw kwam. Hij kon vroeger – wanneer hij zich omringd vond door dons – vliegen wanneer hij maar wilde. Hij gaf zelfs eindeloos en vruchteloos vliegles aan zijn klasgenootjes die niet eens zijn vriendjes waren. Toen hij echter op een keer een viertal middenhandsbotjes brak doordat hij ongelukkig van een fiets af was gevallen, viel het vliegen hem steeds zwaarder. Eenmaal acht jaar oud en hij had het verloren. Je kon er om treuren en hij had het lang gedaan, de zwaarte van zijn lichaam voelend, het gewurm van pulsend bloed onder zijn huid, het opbollen van zijn vel daar waar zijn hart met pozen tussen zijn ribben porde, maar dat heeft geen zin. Het is iets waarvan de man die bij de vrouw kwam, moet toegeven dat hij dit heeft moeten leren inzien.
De vrouw zag dus de man die bij haar kwam met een vriendelijke glimlach aan. De man die bij de vrouw kwam leek echter dwars door haar heen te kijken naar een verdwijnpunt dat zich ergens vlak voor de horizon moest bevinden. Goed te bepalen was het niet, maar het vermoeden bestaat dat het in de buurt van Emmen zal zijn geweest, misschien ietsje verder. Zijn ogen lagen ver onder zijn wenkbrauwen en diep in kassen teruggeschoven. Het gaf hem een wat olijk gezicht, zeker met de lichte onderkin en de aandoenlijke wildgroei dat zich op twee plekken op die onderkin genoegelijk nestelde. Het stoppelbaardje glansde werkelijk, werkelijk práchtig schoon onder de zilte druppels dauw, die zich aan verschillende haartjes hadden gevormd. Ze trilden bij zelfs de geringste beweging. En het was daardoor dat de vrouw niets kon te zeggen.

Er moest wel een enorme leegte bestaan, zou je de voorstelling van veraf bekijken. Want zie het voor je, je was daar en je zag ze van een afstand. De man kwam dus bij de vrouw. Je zag niet eens de gepauzeerde glimlach op haar gezicht, je zag niet zijn glazige ogen. Wel zijn gebogen rug, wel zijn houding. Ja, die wel. Al moet verteld worden dat die er niet veel aan af doet. Van de vrouw was maar de helft zichtbaar. Je kon niet eens onderscheiden of het haar mooiste helft was.
De leegte was zo groot, zo diep, zo ontzaglijk hol en ongrijpbaar dat je er niets anders over kon zeggen dan dat ‘het niets aanwijsbaar aanwezig was'. Er stond bijvoorbeeld geen krukje en ook geen kamerplant op de plek waar ‘er niet iets was’. Er was geen water waarin je vissen kon veinzen, er was geen maan die erin weerspiegelde. Het was een leegte waarin slechts leegte gaapte. Zoiets slokt alles op en zo ging het: alles werd opgeslokt. Het begon bij de afstand die om de man die bij de vrouw kwam rondgaapte en bij de afstand die de vrouw als wijde kleren van een dunne stof om zich heen had hangen. Alles wat zich daarin die leegte bevond, de dingen dichtbij zoals (de zwarte stipjes op de kam van de neus van de man die bij de vrouw kwam) en veraf (nabij Emmen) konden niets anders dan verdwijnen. Toen verdampte de tijd en die nam gelijk ook gisteren mee. Daarna verloor zelfs de ruimte tussen de man die bij de vrouw kwam en de vrouw zelf alle vorm. Toen het licht (dat het luchtig opvatte) en later de lucht die op dat moment al zeker twee minuten niet bewogen had.

Het had veel verder kunnen worden uitgediept, er had ook veel meer over kunnen worden gezegd. Maar dat is niet noodzakelijk want iedereen die dit heeft kunnen zien moet het stellen zonder een uitleg. Wat begrijpelijk is, want leegte is immers het tegendeel van uitleg. Over een ding moet echter nog gesproken worden. Het verliest namelijk aan geloofwaardigheid als het verhaal van de man die bij de vrouw kwam en van de vrouw hierbij gelaten wordt. Dat moet koste wat kost voorkomen worden. Daarom nog het besluit.
Uiteindelijk verdwenen namelijk zelfs de man die bij de vrouw kwam en de vrouw zelf. Niemand heeft ze ooit nog gezien en niemand ziet ze ooit nog. De reden dat het hier in taal geschreven staat is omdat niemand het verhaal heeft kunnen vertellen. Dit is gelijk ook de reden waarom het ook zo anders, en zo geheel nieuw klinkt. Men zou beter moeten weten.